Steun topinstituten en pioniers in de kunst
vrijdag 23 maart 2007
Amsterdam heeft aansprekende, internationaal vermaarde kunst nodig als ze mee wil blijven doen als culturele stad in Europa. En omdat je niet op alle terreinen kunt excelleren, betekent dit accenten leggen op specifieke kunstsegmenten. Iets waar het tot nog toe aan ontbroken heeft. Leg bijvoorbeeld het accent op muziek, beeldende kunst en architectuur. Gebieden waar Amsterdam van oudsher bijzondere dingen in te bieden heeft.
Ook moet er een heldere indeling moet komen in drie kunstcategorieen: topinstellingen (de arrives), de grassroots (de pioniers) en publiekskunst (het middensegment). Alledrie zijn belangrijk voor de stad, maar kunnen op een andere manier worden gesubsidieerd.
Het is gekkigheid alle instellingen over dezelfde kam te scheren, zoals de komende vier jaar weer dreigt te gebeuren. Topinstellingen, zoals het Stedelijk of het Nationaal Ballet moeten buiten de Kunstenplansystematiek worden gehouden en op vaste basis subsidie ontvangen. Hun kwaliteit moet periodiek door (internationale) deskundigen worden beoordeeld. Op landelijk niveau zijn hier al stappen voor gezet.
Ook de grassroots moeten uit het vierjaarlijkse Kunstenplan. Zij verdienen het als aparte categorie te worden behandeld, bijvoorbeeld via het Amsterdams Fonds Kunst. Jong talent moet ongestoord zijn vorm kunnen vinden en zich geen zorgen hoeven maken over sponsorgelden, publiekswerving en subsidieaanvragen. Daarbij is de huidige tien procent van de kunstbegroting voor experiment, vernieuwing en vrije kunst een schamel laag bedrag voor een stad die kunst levend wil houden. Minimaal vijftien procent zou naar de grassroots moeten gaan.
Alleen voor het middensegment zou de Amsterdamse Kunstraad een vierjaarlijks oordeel moeten vellen op basis van artistieke kwaliteit, professionaliteit en cultureel ondernemerschap. De genoemde accenten op muziek, architectuur en beeldende kunst zouden in de verdeling van het kunstbudget zichtbaar moeten worden.
In tegenstelling tot de regering, die het profijtbeginsel als een bezuiniging neerzet, zou je instellingen juist moeten belonen als zij publieks- en sponsorinkomsten weten te genereren. Koppel de subsidie aan deze inkomsten om instellingen te stimuleren sponsors en publiek te werven. Een voorbeeld is het Over het IJ Festival, dat binnen enkele jaren haar bezoekersaantal zag verviervoudigen. De exploitatiesubsidie van de gemeente was toen niet meer toereikend, waardoor het festival bijna ten onder ging aan zijn eigen succes.
Overigens zou de overheid niet alleen subsidies moeten verstrekken, maar instellingen ook de gelegenheid moeten bieden elkaar te helpen en kennis en deskundigheid uit te wisselen op het gebied van van pr- en marketing of personeel. Ideeen als de ondersteuning van kleine buurttheatertjes door grote theaters via 'adoptie' en het door Ivo van Hove geopperde plan grote (stads)gezelschappen jonge theatermakers te laten opleiden, passen hierin.
Verder moet er aandacht komen voor culturele diversiteit. Er moeten meer laagdrempelige 'speelplekken' komen waar mensen kunst kunnen zien die aansluit bij hun beleving en culturele identiteit. Maar let wel: kwaliteit blijft ook hierbij het criterium om tot subsidiering over te gaan en niet integratie, participatie of een andere 'sociale' doelstelling.
De stadsdelen zijn de plaats waar culturele diversiteit vooral tot zijn recht komt. Het is verbazingwekkend dat zo weinig geld naar de stadsdelen, buurttheaters en lokale podia gaat. Per bezoeker hoogstens enkele euro's en dan meestal nog in de vorm van incidentele subsidies. Dit in tegenstelling tot in de gemeentebegroting, waar vaak tientallen euro's structurele subsidie per bezoeker naar theaters en gezelschappen gaat.
Nog zo'n keuze is het behoud van het culturele erfgoed. Het gebeurt nogal eens dat instellingen die zich richten op het behoud van een bepaalde traditie niet in aanmerking komen voor subsidie, want 'het is niet vernieuwend'. Ja dat klopt, maar het is ook belangrijk dat in het Amsterdamse kunst- en cultuuraanbod mensen kennis kunnen nemen van eeuwenoude tradities in de muziek en dans etc. en kunnen blijven genieten van Amsterdamse pareltjes als het Pianola- en het Multatulimuseum.
Kortom: er moet meer geld komen voor kunst en cultuur en er moeten heldere keuzes worden gemaakt, wil Amsterdam zich internationaal (blijven) onderscheiden.
Binnenkort presenteert wethouder Gehrels haar plannen voor het kunstenveld in Amsterdam. Ik ben hier niet optimistisch over als je ziet wat de wethouder aan visie toont bij de inrichting van de kunstenplansystematiek. Het systeem zal niet veranderen.
Ook haar reactie op de mogelijke bezuinigingen in de Amsterdamse kunstensector door het landelijk beleid toont weinig ambitie en daadkracht. Ze wil er 'geen spelletje Amsterdam-Den Haag' van maken. De kunstensector wacht intussen forse bezuinigingen.Amsterdam heeft aansprekende, internationaal vermaarde kunst nodig als ze mee wil blijven doen als culturele stad in Europa. En omdat je niet op alle terreinen kunt excelleren, betekent dit accenten leggen op specifieke kunstsegmenten. Iets waar het tot nog toe aan ontbroken heeft. Leg bijvoorbeeld het accent op muziek, beeldende kunst en architectuur. Gebieden waar Amsterdam van oudsher bijzondere dingen in te bieden heeft.
Ook moet er een heldere indeling moet komen in drie kunstcategorieen: topinstellingen (de arrives), de grassroots (de pioniers) en publiekskunst (het middensegment). Alledrie zijn belangrijk voor de stad, maar kunnen op een andere manier worden gesubsidieerd.
Het is gekkigheid alle instellingen over dezelfde kam te scheren, zoals de komende vier jaar weer dreigt te gebeuren. Topinstellingen, zoals het Stedelijk of het Nationaal Ballet moeten buiten de Kunstenplansystematiek worden gehouden en op vaste basis subsidie ontvangen. Hun kwaliteit moet periodiek door (internationale) deskundigen worden beoordeeld. Op landelijk niveau zijn hier al stappen voor gezet.
Ook de grassroots moeten uit het vierjaarlijkse Kunstenplan. Zij verdienen het als aparte categorie te worden behandeld, bijvoorbeeld via het Amsterdams Fonds Kunst. Jong talent moet ongestoord zijn vorm kunnen vinden en zich geen zorgen hoeven maken over sponsorgelden, publiekswerving en subsidieaanvragen. Daarbij is de huidige tien procent van de kunstbegroting voor experiment, vernieuwing en vrije kunst een schamel laag bedrag voor een stad die kunst levend wil houden. Minimaal vijftien procent zou naar de grassroots moeten gaan.
Alleen voor het middensegment zou de Amsterdamse Kunstraad een vierjaarlijks oordeel moeten vellen op basis van artistieke kwaliteit, professionaliteit en cultureel ondernemerschap. De genoemde accenten op muziek, architectuur en beeldende kunst zouden in de verdeling van het kunstbudget zichtbaar moeten worden.
In tegenstelling tot de regering, die het profijtbeginsel als een bezuiniging neerzet, zou je instellingen juist moeten belonen als zij publieks- en sponsorinkomsten weten te genereren. Koppel de subsidie aan deze inkomsten om instellingen te stimuleren sponsors en publiek te werven. Een voorbeeld is het Over het IJ Festival, dat binnen enkele jaren haar bezoekersaantal zag verviervoudigen. De exploitatiesubsidie van de gemeente was toen niet meer toereikend, waardoor het festival bijna ten onder ging aan zijn eigen succes.
Overigens zou de overheid niet alleen subsidies moeten verstrekken, maar instellingen ook de gelegenheid moeten bieden elkaar te helpen en kennis en deskundigheid uit te wisselen op het gebied van van pr- en marketing of personeel. Ideeen als de ondersteuning van kleine buurttheatertjes door grote theaters via 'adoptie' en het door Ivo van Hove geopperde plan grote (stads)gezelschappen jonge theatermakers te laten opleiden, passen hierin.
Verder moet er aandacht komen voor culturele diversiteit. Er moeten meer laagdrempelige 'speelplekken' komen waar mensen kunst kunnen zien die aansluit bij hun beleving en culturele identiteit. Maar let wel: kwaliteit blijft ook hierbij het criterium om tot subsidiering over te gaan en niet integratie, participatie of een andere 'sociale' doelstelling.
De stadsdelen zijn de plaats waar culturele diversiteit vooral tot zijn recht komt. Het is verbazingwekkend dat zo weinig geld naar de stadsdelen, buurttheaters en lokale podia gaat. Per bezoeker hoogstens enkele euro's en dan meestal nog in de vorm van incidentele subsidies. Dit in tegenstelling tot in de gemeentebegroting, waar vaak tientallen euro's structurele subsidie per bezoeker naar theaters en gezelschappen gaat.
Nog zo'n keuze is het behoud van het culturele erfgoed. Het gebeurt nogal eens dat instellingen die zich richten op het behoud van een bepaalde traditie niet in aanmerking komen voor subsidie, want 'het is niet vernieuwend'. Ja dat klopt, maar het is ook belangrijk dat in het Amsterdamse kunst- en cultuuraanbod mensen kennis kunnen nemen van eeuwenoude tradities in de muziek en dans etc. en kunnen blijven genieten van Amsterdamse pareltjes als het Pianola- en het Multatulimuseum.
Kortom: er moet meer geld komen voor kunst en cultuur en er moeten heldere keuzes worden gemaakt, wil Amsterdam zich internationaal (blijven) onderscheiden.
Meer nieuws
- Marjo Visser nieuw D66-raadslid Amsterdam 23-5-2012
- Juni D66-maand 18-5-2012
- In vijf stappen naar een moderne en flexibele gemeente 11-5-2012
- Dichte bruggen Amstel zorgen voor verkeerschaos 10-5-2012
- Kunstwerk duurzame energie onthuld 10-5-2012
- D66-raadslid Sahin verlaat gemeenteraad Amsterdam 8-5-2012
- D66 wil een kleinere en flexibele gemeente 5-5-2012
- D66 Amsterdam wil Dag van de Dienstverlening op 1 mei 2-5-2012
- D66 blij met aanbesteding fiscale parkeerhandhaving 27-4-2012
- D66: kansen voor Amsterdam Agenda 26-4-2012




word lid