De jeugd is de toekomst voor Amsterdam en Amsterdam is de toekomst voor de jeugd!
Opgroeien in een stad is anders. Spannender. Voor een jonge
Amsterdammer betekent dit een uitdaging met kansen en verleidingen.
Waar jongeren opgroeien met minder kansen, moet de gemeente er alles
aan doen die jonge Amsterdammers het beste uit zichzelf te laten halen.
Over jongeren als problemen praten helpt niet: talenten zien en laten
benutten, dat moet de toon en inhoud van onderwijs- en jeugdbeleid zijn. Jong Amsterdam moet dan ook kunnen meepraten en meebeslissen overhun buurt en hun plein. Jeugd- en jongerenwerk moet praktisch zijn, en niet in vergaderzalen maar in straten en buurten plaatsvinden.
D66 kiest voor een stad met kleine scholen. Kleinschaligheid zorgt voor
een vertrouwde sociale omgeving waar een kind graag naar school gaat,
zonder veiligheidspoortjes en zonder anonimiteit. Een school is een
gemeenschap waar een leerling niet alleen goed onderwijs krijgt maar ook terecht kan wanneer er problemen zijn waarmee het kind thuis niet terecht kan. Die scholen verdienen vertrouwen. Niet alleen moet de gemeente zich inhouden met regels en instructies, ook moeten niet alle problemen op de bordjes van juffen en meesters worden gelegd. De gemeente als hoedster van het algemeen belang, stuurt op kwaliteit en ondersteunt de scholen bij innovatie en kwaliteitsverbetering in samenwerking met stadsdelen en schoolbesturen. D66 stelt zich altijd de vraag: ‘Hoe helpen we onze scholen?’ D66 wil investeren in de kwaliteit van docententeams, daar waar nodig met onorthodoxe maatregels.
Onderwijs, onderwijs en onderwijs
Onderwijs heeft voor D66 topprioriteit. Goed onderwijs en een veilige
leefomgeving zijn basisvoorwaarden voor een samenleving waarin
iedereen tot zijn recht kan komen en het beste uit zichzelf kan halen. De
gemeente moet binnen haar mogelijkheden ervoor zorgen dat de
ontwikkeling van kind, scholier of student wordt gefaciliteerd. Amsterdam moet de meest innovatieve en stimulerende (leer)omgeving van Nederland zijn. De stad staat voor de uitdaging om de nieuwe generatie wetenschappers op te leiden, maar ook analfabetisme en taalachterstand uit te bannen.
In het Amsterdamse onderwijs staan capaciteit en kwaliteit constant onder druk. Nederland investeert te weinig in onderwijskwaliteit, veel te weinig. Desondanks moet de gemeente zwakke scholen niet laten
doormodderen. Wij willen dat elke Amsterdammer de kans krijgt om zich
optimaal te ontplooien. Geld voor onderwijs moet zo efficiënt mogelijk
besteed worden, en vrijgekomen middelen komen direct ten goede aan
het onderwijs zelf. De blik op de toekomst en de ambities voor Amsterdam dwingen D66 om ervoor te kiezen op onderwijs geen cent te bezuinigen.
Kinderen zijn geen proefkonijnen: zwakke scholen mogen nooit langer dan twee jaar zwak zijn. Wanneer scholen geen onderwijs op niveau bieden moet de gemeente bijtijds kunnen ingrijpen. In eerste instantie met hulp en ondersteuning, bij uitblijven van resultaten door het bieden van alternatieven en, zo nodig, toewerken naar sluiting.
Kinderopvang wordt wat D66 betreft een recht. Ook ouders van kinderen
met leer- en gedragsstoornissen moeten kunnen rekenen op naschoolse
opvang. Kinderopvang in onze stad moet zich niet beperken tot de
traditionele kantoortijden. Ouders krijgen daarmee de vrijheid waar een
flexibele arbeidsmarkt om vraagt. In de visie van D66 heeft kinderopvang
toegevoegde waarde voor het kind; kinderen ontspannen en ontwikkelen
zich met leeftijdsgenoten onder deskundige en zorgzame begeleiding.
D66 vindt dat kwaliteit niet mag lijden onder efficiencydoelstellingen.
Marktwerking is niet altijd de oplossing. Het leerlingenvervoer en de
naschoolse opvang laten zien dat een race naar het goedkoopste product tot grote problemen heeft geleid. Opschaling en centralisering van planning en personeelsbeleid moet worden tegengegaan. Samen met
schoolbesturen wil D66 de betrokkenheid van ouders ondersteunen.
Onderwijs in Amsterdam moet een inspirator van vrijheid zijn. Verzuilde
strengreligieuze scholen die personeel weigeren op grond van hun
geaardheid of intolerantie in hun lessen verwerken moeten keihard
aangepakt worden. Een Amsterdams kind heeft recht op scholing die de
diversiteit van de wereldstad erkent en de rechtsstaat respecteert.
D66 is voorstander van de ontwikkeling van brede scholen, waar onder
één regie verschillende uitvoerende instanties kinderen van 0-12 jaar
opvangen en begeleiden. In de komende jaren zullen ouders gebruik
moeten kunnen maken van deze centra waarin alle functies in één
centrum beschikbaar zijn: kinderopvang, onderwijs, deels opvang vanaf
2½ jaar, voor – en naschoolse activiteiten en dat alles met een continurooster. Goed voor kind, ouders en buurt. Goed voor integratie
en ontwikkeling. Bedrijven en instellingen kunnen worden uitgenodigd om
invulling te geven aan het aanbod. Sport, zwemles en cultuur moeten
onderdeel uit maken van het aanbod. D66 stelt voor de voorscholen toe te voegen aan het basisonderwijs en kinderen vanaf 2½ jaar leerrechten te even. Voor- en vroegschoolse educatie komen daarmee in één hand en in één gebouw, met goed opgeleide en goed betaalde leerkrachten
(peuterleiders en kleuterleiders). Deze organisatorische vereenvoudiging
levert kwaliteit, tijd en geld op. Bovendien gaat dit de tweedeling in het
onderwijs tegen doordat leerlingen met taalachterstanden op meer
scholen kunnen instromen dan alleen de scholen die samenwerken met
een voorschool.
D66 is voor kleine scholen waar kinderen, leraren en ouders elkaar
persoonlijk kennen. Scholen vormen een gemeenschap en ontwikkelen
een eigen identiteit, daarom is geen school hetzelfde. Ruimte voor
verschillende oplossingen hoort bij een Amsterdamse aanpak. Dus is het
goed als de ene school warm eten bij de lunch aanbiedt en de andere
niet. Dus kan de gemeente een school ondersteunen door een conciërge
te leveren, of een andere school door een technisch assistent te sturen.
Ook in het voortgezet onderwijs kiest D66 voor kleine scholen. Van grote
leerfabrieken met veiligheidspoortjes moet Amsterdam naar kleine klassen op sfeervolle scholen. De wachtlijsten voor zelfstandige gymnasia in Amsterdam laten zien dat kleinschalig onderwijs op niveau populair is. Dat is niet meer dan logisch: als ouder wil je het beste voor je kind, en dat betekent een school die een veilige sociale omgeving en optimale ontplooiing biedt. Nu bieden vooral de zelfstandige gymnasia dat onderwijs. D66 wil scholen met dat karakter beschikbaar maken voor álle Amsterdamse kinderen op álle leerniveaus. Op een Amsterdamse school hoort de directeur of rector ieder kind te kennen. Daarom wil D66
toewerken naar kleinschalig onderwijs voor elk niveau. Grotere
scholengroepen kunnen samenwerken om doorstroming naar hogere
niveaus te stimuleren. Kleinschaligheid maakt de school leefbaarder en
houdt jongeren met problemen binnenboord.
Juist VMBO-scholen hebben vaak die kleinschaligheid nodig; veel van
hun leerlingen behoren tot een kwetsbare groep die thuis geen ondersteuning ondervinden voor hun studie. Vaak is er ook geen ruimte om rustig huiswerk te maken. D66 stelt voor in de wijken huiswerkvoorzieningen te realiseren waar deze jongeren onder begeleiding kunnen studeren. Uiteraard geldt dit ook voor leerlingen van andere scholen met dezelfde problematiek.
Amsterdam heeft een enorme behoefte aan toponderwijs, ook op
middelbare scholen. Kinderen moeten kunnen excelleren op vakgebieden
waar hun aanleg en interesse liggen. Daarom wil D66 dat varianten van
zelfstandige gymnasia de kans krijgen: een Technasium voor bètatalenten bereid hen voor op de Bètastudies van UvA en VU. Tweetalige scholen stomen jongeren klaar voor internationale studies en werk. Scholen met een sport- of cultuurkarakter vormen een verrijking voor de stad. Die scholen bieden concurrentie aan de overvolle gymnasia. Mocht de vraag naar gymnasia toch blijven groeien, dan moet de gemeente meehelpen aan de vestiging van een zevende zelfstandig gymnasium.
D66 vindt ook dat Amsterdam de groei van het middelbaar en hoger
beroepsonderwijs, universiteiten en ROC’s moet faciliteren. Topscholen op deze verschillende niveau’s moeten gestimuleerd worden om met elkaar samen te werken zodat kenniszuilen ontstaan. Voor leerlingen en
studenten is er dan de mogelijkheid om een kenniscarrière in een specifiek vakgebied op te bouwen. Een goed voorbeeld van de beoogde
ontwikkeling is het cluster van het zorgonderwijs bij de VU.
Ouders willen niet dat hun kind een lot in een grabbelton is en door een
notaris gescheiden kan worden van vriendjes uit de buurt. Loting moet
voorkomen worden. D66 wil dan ook dat de gemeente populaire scholen
helpt met uitbreiden en zoeken van dependances, en niet kinderen dwingt om scholen te vullen die kampen met weinig aanmeldingen. Als er toch geloot moet worden, dan dient een Amsterdams kind dezelfde rechten te hebben als kinderen uit andere gemeenten.
Een kind in Amsterdam groeit op in een wereldstad, waar de wereldtaal
Engels naast het Nederlands de tweede taal van straat, wetenschap en
bedrijf is. Tweetalig onderwijs versterkt het taalgevoel, voor zowel
Nederlands als Engels. Amsterdam moet dan ook de ontwikkeling van
tweetalig onderwijs op scholen die daarvoor kiezen omarmen.
D66 vindt dat alle Amsterdamse kinderen van jongs af aan op school
bekend moeten worden met kunst, cultuur en kunstbeoefening.
Kunstbeoefening is bij uitstek een terrein waarop kinderen hun talenten
kunnen ontdekken en ontplooien. Bovendien helpt kunsteducatie de
leerprestaties en gemeenschapszin van kinderen op school te
verbeteren. Elke school verdient daarom een goed opgeleide kunstvakdocent die het kunstvakonderwijs op school stimuleert, coördineert en verzorgt. Scholen kunnen daarbij zelf ervoor kiezen of ze de nadruk willen leggen op muziek, beeldende kunst, theater of een combinatie van disciplines.
Schooluitval komt in alle onderwijstypes voor. Schooluitval op het VMBO
en de lagere niveaus op het ROC is ernstig, omdat jongeren dan geen
basiskwalificatie hebben op de arbeidsmarkt. Om uitval van leerlingen op
het voortgezet onderwijs en het MBO te voorkomen moeten gemeentelijke instellingen zoals welzijnsinstellingen en het jongerenwerk met de scholen samenwerken. Een individuele benadering van leerlingen voordat het misgaat is het meest effectief. Jongeren die toch uitvallen moeten zo snel mogelijk (ook in de loop van het jaar) op een schooltraject of een schoolwerktraject worden gezet.
Zorgen voor jongeren in een veilige stad
Een veilige en vertrouwde omgeving is belangrijk, zeker voor jonge
mensen. Ouders hebben de primaire verantwoordelijkheid voor hun
kinderen, maar scholen zijn het tweede huis en vervullen een
vangnetfunctie. In Amsterdam is het ontzettend belangrijk dat er op een
praktische manier wordt omgegaan met onderwerpen als
verkeersveiligheid, jeugdbescherming en drugs- en alcoholbeleid. Goed
onderwijs, individuele ontplooiing en veel aandacht voor sport en
gezondheid maken kinderen beter weerbaar voor groepsdruk dan ze weg
te houden van allerlei verleidingen of het ze te verbieden. De gemeente
moet ouders en scholen helpen om drugs en alcohol uit handen van
jongeren te houden. De jeugdzorg in Amsterdam is in een opstopping
beland en de gemeente heeft hier een belangrijke rol te spelen.
Buiten leven hoort bij gezond opgroeien. Kinderen moeten dus buiten
kunnen spelen en buiten kunnen sporten. Binnen vijftien minuten fietsen
moet een Amsterdamse jongere bij de buitenschoolse sportactiviteiten
kunnen zijn. Bij vernieuwing van parken en pleinen moet altijd worden
gezorgd voor meer speelruimte voor Jong Amsterdam.
De harde kern van probleemjongeren moet hard worden aangepakt, maar
de aanpak moet wel gericht zijn op een toekomst. Een dagprogramma
van 8 tot 8 is beter dan steeds weer een paar dagen politiecel. Bij de
zware recidivisten steunt D66 een aanpak waarbij deze jongeren tijdelijk uit hun omgeving worden gehaald.
De gemeente dient een leidende rol te nemen in de problemen rond
jeugdzorg; binnen de stadsregio heeft alleen Amsterdam voldoende
bestuurlijke kracht hiervoor. Er zal capaciteit bij moeten in de preventieve jeugdzorg en het aanbod van geïndiceerde plaatsen moet op peil worden gebracht. De bureaucratie rondom de indicatiestelling moet worden bestreden en nieuwe zorgaanbieders dienen betere toegang te krijgen tot het stelsel van de Jeugdzorg. D66 wil dat de gemeente Amsterdam de vele geweldige professionals beter ondersteunt, zodat zij effectiever kunnen doen waar zij goed in zijn: namelijk voorkomen dat jongeren overboord vallen en die jongeren redden waarbij het mis is gegaan.
Kinderen moeten tijdig en effectief kunnen worden geholpen en
professionals moeten sneller en beter kunnen handelen. Gebaseerd op de
positieve ervaringen van de reorganisatie van de jeugdgezondheidszorg
(JGZ), moeten de regie en financiële verantwoordelijkheid bij de gemeente komen te liggen. Hierbij dient het financieren op samenwerken en resultaten leidend te zijn. Tevens moet verplichte indicatiestelling voor de meest lichte geïndiceerde zorg, de ambulante zorg, komen te vervallen. Een integraal indicatiebesluit moet sterk vereenvoudigd worden. Jongeren verdienen aandacht van de gemeente Amsterdam en de stadsdelen. Daarom subsidieert Amsterdam veel projecten voor jongeren. Het is in het belang van de continuïteit en de effectiviteit van dit jongerenwerk dat er meer samenhang komt in de activiteiten voor
jongeren. De gemeente moet zorgen voor heldere doelstellingen die
vervolgens ook bewaakt worden. Om subsidie te kunnen krijgen moet de
organisatie goed gekwalificeerd personeel inzetten.
Netwerken en doorleren in een ondernemende cultuur
In elke levensfase moeten mensen worden aangemoedigd om het beste
uit zichzelf te halen. Zij ontwikkelen zich voor een groot gedeelte in hun
vrije tijd. Jong en oud moeten kunnen meedoen in de Amsterdamse
samenleving, op professioneel, studerend en cultureel gebied. Het is de
taak van de overheid om samen met het bedrijfsleven en het
maatschappelijke middenveld mogelijkheden te bieden zodat alle
Amsterdammers zich op elk moment in hun leven kunnen ontplooien. De
mentaliteit van saamhorigheid en actief burgerschap moet terug in de
stad. Iedere Amsterdammer krijgt te maken met grote uitdagingen als
het inburgeren van nieuwkomers, de recessie en de daaruit
voortkomende (jeugd)werkloosheid. Door het bedrijfsleven aan maatschappelijke activiteiten te koppelen en creativiteit te belonen, kunnen uitdagingen opgepakt worden.
Ouderen en jongeren moeten de mogelijkheid krijgen om verder te
studeren of praktijkonderwijs te volgen, terwijl zij actief zijn voor de stad of in hun eigen wijk. Door innovatieve leerplekken en passende stages voor jongeren te creëren, onder gedegen begeleiding van docenten, wordt kennis en ontwikkeling van hun interessegebieden bevorderd. Dat kan hen later weer helpen bij het vinden van een baan die bij hen past. Jonge academici en PABO studenten moeten nog meer les gaan geven op scholen waar een tekort aan leraren is. Ook daar kunnen jongeren
door gestimuleerd worden.
Amsterdam heeft een ‘Duisenberg School of Finance’ en een ‘University
College’. In excellentie wordt steeds meer geïnvesteerd, en terecht.
Amsterdam heeft meer behoefte aan dergelijke karakteropleidingen met
een internationale uitstraling. Exclusieve opleidingen op verschillende
niveaus in bijvoorbeeld mode, architectuur en design versterken de
Amsterdamse ambitie om toonaangevend te zijn. Ook hier moet het
bedrijfsleven en de stad worden betrokken om intelligente hardwerkende
jongeren aan Amsterdam te binden. Goede private initiatieven kunnen met matching van fondsen opgestart worden. De gemeente moet durven
investeren om nieuwe initiatieven een kans te bieden om snel op eigen
kracht te functioneren. De gemeente mag de durf hebben om soms buiten traditionele paden te treden. Zo had het Amsterdamse bestuur de
toonaangevende ‘Miami Ad School’ kunnen binnenhalen. Dat soort
kansen mag de stad niet meer laten liggen.
Benut de kracht en het talent van jeugd en jongeren door ze als
ambassadeurs in te zetten op gebieden als media, vrijwilligerswerk en
leiderschap. D66 wil daarom de organisatie van grootschalige projecten
stimuleren waarbij scholen op stads- of wijkniveau tegen elkaar strijden in bijvoorbeeld een kennisquiz of sportevenement. Verder moet er ruimte zijn voor internationale zomerkampen en moeten mogelijkheden worden
ontwikkeld voor het aantrekken van de ‘International Schools’.
Inburgering betekent dat elke nieuwe Amsterdammer zich in de stad thuis voelt, kan functioneren en zich kan ontplooien. Het aanbod van
inburgeringcursussen moet daarop gericht zijn. Wie nog niet volwaardig
kunnen meedoen aan de samenleving, omdat zij bijvoorbeeld nog geen
baan hebben, mogen verplicht worden een inburgeringcursus te volgen.
Er is immers geen betere inburgeringcursus dan een betaalde baan.



